|
 |
Carnaval op straat
“Hoe laat komt de optocht voorbij papa?”, roept Olivier naar papa die in de kamer staat. “Mama had het over vanmiddag om 14.00 uur. We gaan met zijn allen naar het dorp toe”, antwoordt papa. “Maar ik mag toch wel die verkleedkleren aan doen?”, vraagt Olivier nog even voor de zekerheid. “Ja, natuurlijk. Voordat we weggaan, mogen jullie gekke kleren aandoen en schminken we je gezicht. Je mag helemaal zelf weten wie je wilt worden”, zegt papa. Olivier zit nu al te bedenken als wie hij geschminkt wilt worden. “Pap mag ik geschminkt gaan als Kabouter Plop”, vraagt Olivier, “Ga ik vast kijken of er kleren voor me
liggen”. Olivier gaat naar zolder waar de verkleedkist staat. Hij haalt uit de kist een grote broek van papa en een blouse van mama. Onder in de kist ligt een grote pet, die nog van opa is geweest, die zet Olivier op als muts. Kabouter Plop is een beetje dik dus in de broek en onder de blouse houdt Olivier zijn eigen kleren aan. Eigenlijk is hij dan nog niet dik genoeg dus stopt hij overal nog extra kleren bij. Als Olivier beneden komt beginnen papa en mama te lachen. “Weet je zeker dat je zo naar het carnaval wilt”, vraagt mama. Olivier antwoordt: ”Ja hoor. Ik vind Kabouter Plop leuk. Een beetje schmink op me gezicht erbij dan lijk ik toch?”. Mama vindt het eigenlijk wel goed. Nu Martijn nog verkleden en dan gaan ze schminken. Martijn wil heel graag Pipo zijn, dus allemaal verschillende kleren trekt hij aan. Rode broek, gele trui en oranje pet, die ooit van papa was. Beneden schminkt mama Martijn als Pipo en papa helpt Olivier met rode wangetjes en een witte baard te maken van witte watten. Het blijft niet zo goed zitten maar als Olivier er niet aan komt dan moet het wel lukken. Een nepbrilletje krijgt hij van mama, die had een oude zonnebril en heeft de glazen eruit gehaald. Zo lijkt Olivier wel een beetje op Kabouter Plop. Martijn ziet ook uit als een echte Pipo. Tess verkleden ze niet want die is niet zo lekker en heeft daar toch geen zin in. In het dorp komen er wagens langs die heel mooi gemaakt zijn en de mensen zijn allemaal verkleed. Martijn hoopt dat er nog meer Pipo’s lopen. Dan kan hij grapjes gaan maken. In het dorp is het best druk. Op de stoep staan allemaal mensen te wachten met kinderen die ook verkleed zijn. Als Olivier opeens zijn naam hoort kijkt hij om, er staat een jongen naar hem te zwaaien maar hij ziet niet wie dat is. Als de jongen naar hem toe loopt met zijn moeder blijkt het Richie te zijn. “Vindt je me er niet mooi uit zien”, vraagt Richie, “Ik ben verkleed als Harry Potter”. “Ja, dat zie ik. Ik ben Kabouter Plop”, zegt Olivier. Voor Richie en Olivier maakt het verder niet uit hoe ze eruit zien, die staan alweer te kijken of de wagens er al aankomen. Ze kijken ook of ze nog meer klasgenootjes zien. “Moet je daar aan de overkant kijken!”, roept Olivier, “Daar zie ik jongens uit de klas verkleed als piraat, een boef en een clown”. Ook Richie ziet dat en samen lachen de jongens erom. In de verte horen ze de muziek aankomen. Olivier doet een stap de straat op om even te kijken maar dat vindt papa niet goed. “Rustig wachten Olivier, het komt vanzelf hier heen”, zegt papa. Een beetje ongeduldig wacht Olivier samen met Richie tot de muziek bij hun is gekomen. Martijn staat bij mama, want de muziek is wel heel hard. In de optocht komen er heleboel verschillende verklede mensen voorbij. Een wagen met Clowns en Pipo’s. Dat vindt Martijn heel leuk. Als Olivier in de verte een kabouter Plop wagen aan ziet komen gilt hij naar papa en mama. Maar die hebben het ook al gezien. “Papa, alle mensen zijn verkleed hé. Niemand is echt toch?”, vraagt Olivier. “Waarom vraag je dat?”, vraagt papa. “Omdat ik in de verte een kabouter Plop wagen aan zie komen”, legt Olivier uit. “Ja, dat klopt. Net als jij, zijn dat mensen die zich verkleed hebben als Kabouter Plop. Richie is toch ook geen echte Harry Potter, hij heeft ook alleen de kleren ervan aan”, zegt papa. Olivier kan bijna niet wachten tot de wagen dichtbij is gekomen. Boven op de wagen staat Kabouter Plop. “Ho is even. Zet de auto is stil”, hoort Olivier een meneer roepen. De wagen wordt precies voor Olivier stil gezet en Kwebbel komt op Olivier toegelopen. “Hallo, ben jij Kabouter Plop?”, vraagt ze. Olivier wil eigenlijk helemaal niets zeggen, hij is een beetje verlegen. Als mama tegen hem zegt dat hij netjes moet antwoorden. Zegt Olivier, “Ja, ik ben Kabouter Plop”. “Dat kan helemaal niet”, zegt Kwebbel, ”Kabouter Plop zit bovenop de auto”. Dat had Olivier ook al gezien maar hij is echt verkleed als Kabouter Plop. “Vindt je het leuk om met ons mee te gaan op de auto?”, vraagt Kwebbel. Olivier kijkt achterom naar papa en mama en ze vinden het goed. Papa spreekt met Kwebbel af waar ze Olivier weer kunnen halen en hoe laat dat is. Papa vraagt nog wel of ze goed op willen letten en dat zullen ze doen. Papa kent de meneer die de auto rijdt, vandaar dat hij het wel goed vindt. Je mag nooit met vreemde mensen mee, maar dit vindt papa goed. Olivier klimt op de auto en gaat naast de grote Kabouter Plop zitten. Op de wagen worden er verschillende liedjes gedraaid van Kabouter Plop. Onderweg stopt de auto nog een keertje want dan gaat Kabouter Plop met Kwebbel, Lui en Klus het Kabouterdansje doen. De muziek wordt hard opgezet en dan gaan ze dansen. Ook Olivier als de kleine Plop danst mee. Er loopt in de stoet een meneer mee die foto’s maakt en ook hij maakt foto’s van het dansen van Olivier. Als de stoet weer verder moet, klimt Olivier weer samen met de grote Plop naar boven. Onderweg ziet Olivier wel allemaal kinderen staan vanuit de klas maar roepen heeft geen zin. Er zijn een paar kinderen die Olivier wel herkennen en dan zwaait hij terug. Maar iets roepen kan niet de muziek staat daar veel te hard voor. Als de Kabouter Plop-auto bij het einde van de optocht is ziet Olivier papa al staan. Met nu echte rode wangen stapt hij van de wagen af en loopt naar papa toe. “Was het leuk?”, vraagt hij. “Ja, ik mocht mee de kabouter Plop-dans doen midden op straat”, vertel Olivier, “Er kwam een meneer foto’s nemen en ik heb nog andere kinderen uit de klas gezien”. Inmiddels zijn Kwebbel, Kabouter Plop, Lui en Klus richting papa en Olivier gelopen. “Het is goed gegaan hoor meneer”, zegt Kwebbel.” Ja, we hebben nog met zijn allen op straat gedanst en kleine Plop kan goed dansen” zegt kabouter Plop. Papa begrijpt dat kleine Plop Olivier
is. “Meneer mogen we u nog iets vragen?”, vraagt Kabouter Plop, “Morgenmiddag gaan we naar een bejaardenhuis om carnaval te vieren. Het lijkt me heel erg leuk als Olivier mee gaat als kleine Plop”. “Ja, papa mag ik mee? Ik vond het nu ook zo leuk! Mag het voor één keertje?”, vraagt Olivier. “Je moet morgen naar school toe”, zegt papa. “Oké, voor deze ene keer mag je mee”. Het is wel heel leuk dat je met de grote Plop mee mag”. Papa spreekt nog af hoe laat Olivier en waar hij moet zijn, maar de grote Plop spreekt af dat hij Olivier van huis komt halen en ook weer thuis brengt. De volgende dag gaat Olivier maar een halve dag naar school. Op school vragen ze allemaal hoe het kan dat Olivier op de wagen van Kabouter Plop kwam te zitten en Olivier vertelt het verhaal gelijk erbij dat hij vanmiddag mee mag naar het bejaardenhuis, omdat ze daar ook carnaval vieren.
Martijn moet vanmiddag wel naar school dus mama haalt alleen Olivier op van school. Samen met mama en Tess eet hij een boterham tot de bel gaat. Daar staat een meneer voor de deur en Olivier
vraagt. "Hallo kan ik iets voor u doen”. “Ja” zegt hij “ Ik kom Olivier ophalen. Dat ben jij toch?”. Olivier kijkt de meneer aan, maar snapt niet waarom hij met die meneer mee moet. “Bent u Kabouter Plop?”, vraagt hij. “Ja, dat ben ik ook. Alleen niet nu. Ik moet me nog omkleden net als jij en dan ben ik de grote Plop en jij de kleine Plop”, zegt de meneer. Olivier begint te lachen. Hij had gisteren alleen de meneer in Kabouter Plop kleren gezien en niet als een meneer. Voordat ze weg gaan laat de meneer nog zien dat ze in de krant staan en geeft de krant aan mama. Na een dikke kus voor mama gaan Olivier met de meneer mee die Arno heet. Als ze bij een garage komen ziet Olivier nog meer mensen lopen. “Hallo allemaal hier zijn we dan”, roept Arno naar de mensen. “Hallo Olivier”, roepen ze als ze Olivier zien aan komen lopen met Arno. “Ken ik deze mensen ook”, vraagt Olivier aan Arno. “Ja, die ken je. Dit zijn Kwebbel, Lui en Klus en de meneer die de auto rijdt”, legt Arno uit. Ja, Olivier kent de mensen niet, want gisteren hadden ze allemaal verkleed kleren aan. Samen met Arno loopt Olivier naar een plaatsje waar ze zich om kunnen kleden en
schminken. Als iedereen weer verkleed is gaan ze op weg naar het bejaardenhuis. Daar zijn nog meer mensen van gisteren uit de optocht. Met zijn alle maken ze voor de mensen er een hele gezellige middag van. Olivier doet vrolijk mee en heeft veel plezier met de mensen. Samen met grote Plop, Kwebbel, Lui en Klus doet hij een paar keer de Kabouter dans en vraagt hij aan de mensen of ze mee willen dansen. De mensen die goed kunnen staan en lopen dansen mee.
Als Olivier aan het einde van de middag thuis wordt gebracht heeft hij rode wangen van de moeheid. Hij bedankt Arno dat hij mee mocht en Arno belooft om snel weer eens langs te komen. Voor het eten laat mama de foto’s zien die gisteren genomen zijn. “Hoe komen we daaraan?”, vraagt hij. “Dat heeft een meneer vanmiddag gebracht. Ik denk die meneer die foto’s nam gisteren. Je hebt gezegd dat er een meneer liep met een camera”, zegt mama. “Dat is wel lief van die meneer, hé mama”, zegt Olivier. Mama is het hier mee eens. Onder het eten kan Olivier niet ophouden met vertellen. Zijn eten is al bijna koud geworden. Mama vindt dat hij nu eerst even moet gaan eten. Als mama hem naar bed brengt mag hij nog wat vertellen, maar daarna is het hoog tijd om te gaan slapen. Het is een hele drukke dag geweest en morgen moet hij toch weer naar school.
|
© Radna 2003
|