|

|
Aan de oever van de Rotte, tussen Delft en Overschie,
zat een kikvors luid te wenen, met een zuigeling op haar knie.
"Lieve jongen", sprak de oude, "zie je ginds die ooievaar?
het is de moordenaar van je vader, hij vrat hem op met huid en haar."
"Wel snotjandorié', sprak de kleine, heeft die smeerlap dat gedaan,
als ik later groot en sterk ben, zal ik hem op zijn falie slaan!
Nauwelijks had hij dit gesproken, of daar kwam de ooievaar.
Pakte hem toen bij z'n lurven en vrat hem op met huid en haar .
Toen hij binnen was gekomen, zag hij daar zijn vader staan.
En toen zijn ze met z'n tweeën, naar de uitgang toe gegaan.
|
|