|

|
In de maneschijn, in de maneschijn klim ik op een trapje door het
raamkozijn.
Maar dat mag je niet, maar dat mag je niet.
Zó doet een vogel en zó doet een vis,
zó doet een duizendpoot, die schoenenpoetser is.
En dat is één en dat is twee, en dat is dikke, dikke, dikke tante Kéé.
En dat is recht, en dat is krom, en zo draaien wij het wieletje weer om,
rom bom.
|
|